Beginselen der vleesetende planten

Ga naar: Algemeen - Valmechanismen - Aldrovanda - Brocchinia - Byblis - Cephalotus - Darlingtonia - Dionaea - Drosera - Drosophyllum - Genlisea - Heliamphora - Nepenthes - Pinguicula - Roridula - Sarracenia - Utricularia - Literatuur

Algemeen

Een misverstand dat rond 'vleesetende planten' bestaat is dat ze effectief vlees eten. Dit is echter beperkt tot het verwerken van insecten om de voeding d.m.v. fotosynthese aan te vullen. De meeste vleesetende planten zijn afkomstig uit moerassen en venen. De bodem bestaat er hoofdzakelijk uit turf (blonde turf). Nagenoeg alle planten verkiezen veel licht en een natte standplaats.
Voor in de huiskamer is het meestal voldoende om de pot in een schoteltje met ongeveer een centimeter water te zetten. Occasioneel mag het water wel eens vergeten worden, maar wanneer dit tot gevolg heeft dat het substraat volledig droog komt, is een snelle redding nodig. Let erop alleen regenwater of -in tweede instantie- gedemineraliseerd water te gebruiken. 
In hun natuurlijke bodems komen geen opneembare stikstofverbindingen voor (zure bodems met weinig voedingsstoffen), vandaar dat de vleesetende planten overgeschakeld zijn op het vangen van insecten om hieruit hun stikstof te halen.
De planten worden het best gehouden in plastic potten, niet in terracotta. De reden is dat in terracotta de mineralen ook naar het oppervlak migreren en daar dan afzetingen vormen.
In de rest van dit artikel worden de verschillende soorten valmechanismen belicht en vervolgens de verschillende soorten/families vleesetende planten.

Valmechanismen

Actieve vallen
Het meest gekende valtype is het toeklappende blad zoals te vinden bij Dionaea (Venus Vliegenval) en Aldrovanda. De val bestaat uit twee lobben met op elke lob enkele voelhaartjes. Wanneer deze voelhaartjes gestimuleerd worden, bewegen de twee lobben snel naar elkaar toe en sluiten zo de prooi in. Het opnieuw openen van de val is een groeiproces en duurt bijgevolg langer dan het dichtklappen. Een val kan maar een 2 tot 3 keer dit proces ondergaan en sterft daarna af.
Het muizenval-zuigsysteem wordt toegepast door de familie van de Utricularia. De vangblaasjes zijn min of meer eivormig met aan een van de uiteinden een opening met een 'deur' die op de val uitgeeft. Wanneer de val opgezet is, is de druk binnen de val lager dan de buitendruk. De trilhaartjes aan de opening activeren de val wanneer ze aangeraakt worden door insecten. Doordat de druk binnenin lager is dan erbuiten, wordt de prooi met water en al binnengezogen. Dit is een puur mechanische val en houdt geen groeiproces in.

Passieve vallen
De bekervallen vinden we terug bij de volgende families: Cephalotus, Darlingtonia, Heliamphora, Nepenthes en Sarracenia. De insecten worden naar de cilindervormige beker gelokt (bv. door nectarklieren) waarin zich onderaan in de beker een vocht met verteringsenzymen bevindt. De vorm van de bekers is voor elk van de 5 soorten verschillend.
De "kreeftenval" is terug te vinden bij de Genlisea planten. De prooi wordt in twee gedraaide spiraalarmen geleid. Haartjes wijzen de juiste richting aan de prooi: naar binnen toe, alwaar ze verteerd worden.
Een eerste type "vliegenpapier", de semi-actieve, val vinden we bij de Drosera (of Zonnedauw). De prooi wordt gevangen in de kleverige vloeistof die door de rode klieren op de tentakels op het blad geproduceerd wordt. Het insect raakt door zijn ontsnappingspogingen aan meerdere tentakels vastgeplakt en wordt tegen het blad gedrukt. Door een groeiproces plooit het blad rond de prooi, sluit het in en vervolgens kan de vertering van de vangst beginnen.
Een tweede variant, de passieve, wordt toegepast bij de soorten Byblis, Drosophyllum en Triphyophyllum. Bij deze planten is er geen beweging van tentakels of bladeren.
De derde variant is een tussengeval en is terug te vinden bij Pinguicula. Heel het blad is bedekt met de kleverige vloeistof, maar als de prooi blijft vastzitten bewegen de tentakels niet. Het blad krult wel lichtjes langs de randen om te vermijden dat kostbare voedingsstoffen van de rand afdruppelen.

Aldrovanda vesiculosa

Deze waterplant groeit net onder het wateroppverlak van zure moerassen en rustige waterpartijen. Aldrovanda komt voor in tropische gebieden zoals Afrika, Zuidoost-AziŽ en AustraliŽ, maar ook in gematigde gebieden in Europa (o.a. TsjechiŽ, Polen). Deze laatste varianten vormen 's winters rustknollen die op de bodem liggen en in de lente weer naar boven komen om tot nieuwe planten uit te groeien.
Vermeerderen van Aldrovanda is eenvoudig: verdeel de bestaande stengel in enkele stukken en zet deze apart uit, elk stuk ontwikkelt een nieuwe plant.
Substraat: water met pH 6-6.9 (zuur) (regenwater) en minimum 2 ŗ 3 cm turf op de bodem van het aquarium (afhankelijk van de grootte van de bak).
Licht: veel licht, kan tegen direct zonlicht. De temperatuur van het water loopt best niet op boven 30įC.

Brocchinia

Byblis

Cephalotus follicularis (Australische bekerplant)

Deze soort groeit uitsluitend langs de zuidwestelijke kustgebieden van AustraliŽ in drassige tot moerassige gebieden. Qua verzorging groeit de plant goed bij een redelijk hoge luchtvochtigheid, bij warme temperaturen.
Als de plant in de volle zon staat, maakt hij kleinere rode bekers, terwijl in de schadum grotere groene bekers geproduceerd worden.
De plant groeit verder d.m.v. van zijn wortelstok en hierop groeiende plantjes kunnen afgezonderd worden van de moederplant.
Substraat: zuiver spaghnum mos, turf en spaghnum mos, 1:1 turf : zand met spaghnum mos
Water: bodem vochtig tot nat houden
Licht: volle zon of schaduw, naar keuze (zie tekst)

Darlingtonia californica (Cobralelie)

De Darlingtonia komt voor in de bergachtige regio van West-Oregon zuidwaarts naar het noorden van CaliforniŽ in de USA en in British Columbia in Canada. Ze zijn vergelijkbaar met Sarracenia's, maar vormen bekers met een spectaculairdere vorm, vandaar de naam 'Cobralelie'.
Deze soort is de enige soort die het best in een terracotta pot staat.
De plant zet zich verder d.m.v. zijn wortelstok waarop nieuwe planten ontwikkelen. Van zodra deze eigen wortels hebben, kan men gerust het plantje afzonderen van de moederplant.
Substraat: zuiver sphagnum mos, turf met spaghnum mos, 1:1 turf : zand met spaghnum mos
Water: algemene methode
Licht: veel licht, mag in de zomer buiten staan

Dionaea muscipula (Venus Vliegenval)

Van deze plan uit het zuidoosten van Noord-Carolina en aangrenzende gebieden in Zuid-Carolina (USA) zijn er verschillende varianten bekend. De meest gecommercialiseerde vorm is de vorm met groene blaadjes en vallen met een licht rde binnenkant. Andere varianten zijn bijvoorbeeld volledig rood ('Red Dragon') of hebben driehoekige tanden op de randen van de vallen ('shark's teeth').
Het groeiseizoen is de zomer, in de winter kunnen deze planten in rust gaan als de temperatuur daalt. De planten maken dan weinig of geen bladeren bij, of enkel korte platliggende bladeren. Hoewel het mogelijk is om de planten het ganse jaar in groei te houden, is het raadzaam de winterrust toe te laten. De plant zam dan in de zomer erna veel beter groeien.
Planten die in de zomer warm staan, zullen bladeren maken die zich oprichten, bij minder warm weer liggen de bladeren en vallen quasi plat op de bodem.
Bij grotere planten zal 's zomers een bloemstengel verschijnen waarop kleine witte, weinig spectaculaire bloemen komen. Dit proces is echter zeer energierovend voor de plant, die hierna kleinere blaadjes zal aanmaken en een lange recuperatieperiode nodig heeft. Het beste is de bloemstengel zo snel mogelijk na het verschijnen af te knippen.
Substraat: zuivere turf,  1:1 turf : zand, 3:1 turf : perliet
Water: algemene methode, kan eventueel van bovenaf gegoten worden (dit kan soms leiden tot het dichtklappen van vallen), kan tegen zeer nat staan
Licht: veel licht, de plant echter niet te veel draaien of verzetten.

Drosera (Zonnedauw)

Er zijn verschillende soorten drosera's, we lichten er hier enkele uit.
Winterharde drosera's komen ondermeer voor in BelgiŽ en Nederland. Deze soorten trekken zich in de winter terug tot een groeipunt in rust en kunnen dan lichte vorst overleven. In de lente beginnen ze met opnieuw blaadjes te produceren. De soorten die in onze contreien voorkomen zijn Drosera intermedia, Drosera rotundifolia en Drosera anglica.
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand


Knoldrosera's zijn dan weer wintergroeiend en gaan 's zomers in rust tot een ondergrondse knol. Deze planten komen voor in het wild in gebieden in AustraliŽ en Zuidoost-AziŽ waar de zomers bijzonder heet & droog zijn en dus groei bemoeilijken. In de zomer moet men de potten op een droge en koele plaats zetten ofwel de knollen opgraven en met wat grondmengsel in een plastic zak bewaren. De meest bekende soorten van dit type zijn Drosera auriculata en Drosera peltata.
Substraat: 1:3 turf : zand


Tropische & sub-tropische drosera zijn de klassiekere soorten in collecties. Hun oorsprong ligt in Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en enkele komen ook voor in AustraliŽ. Naar gelang de soort kan de luchtvochtigheid ook een rol spelen (bv. bij Drosera prolifera, Drosera schizandra) evenals temperaturen in de winter. De eenvoudigste soorten uit deze groep zijn zeker de Drosera capensis evenals Drosera spathulata in al zijn varianten.
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand


Uit AustraliŽ komen ook de pygmee Drosera's. Zoals de naam het zegt: zeer kleine zonnedauwtjes en bijgevolg geliefd in verzameling doordat ze weinig plaats innemen. In de herfst/winter (afhankelijk van de soort) maken deze Drosera's de zogenaamde gemmae aan. Gemmae of broedknoppen komen alleen voor bij de dwergzonnedauwsoorten. Ze verschijnen in het midden van het plantje. Door middel van deze groene bolletjes, eerder langwerpig van vorm en enkele mm groot, doen deze Drosera's aan asexuele reproductie. Meer info in de Carnivorous Plants FAQ (Engelstalig). Het is aangewezen deze gemmae te verwijderen van de moederplant omdat deze anders kan afsterven door overbegroeiing. Om te 'zaaien' moet je gewoon de gemmae op het gewenste substraat in hun definitieve pot leggen. Achteraf verplanten is niet direct aangewezen door het kwetsbare wortelsysteem van de soort.
Substraat: 2:2:1 turf : zand : perliet/grind


De verschillende Drosera-soorten zijn op de wereldkaart te zien onder deze link (Duitse site).

Drosophyllum lusitanicum (Portugese zonnedauw)

Genlisea

Deze soort groeit in tropische gebieden en is erg verwant met Utricularia, alleen is het valmechanisme verschillend (zie hoger). De verzorging gebeurt best zoals terrestrische Utricularia, met temperaturen rond de 25įC het hele jaar door.
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand
Water: zeer vochtig
Licht: indirect zonlicht

Heliamphora (Zonnebekerplant)

De verspreiding van Heliamphora soorten is beperkt tot de tafelbergen of 'tepui' in het zuiden van Venezuela, Guyana en het noorden van BraziliŽ. Heliamphora's zijn te beschouwen als de 'primitiefste', meest elementaire vleesetende planten.
Om deze planten te kweken moet de luchtvochtigheid hoog zijn, in hun natuurlijke omgeving hangt er veelal een vochtige mist, terwijl de temperaturen niet te hoog mogen oplopen (best tussen 3į - 26įC). 
Het is best deze planten zo weinig mogelijk te verplanten, ze hebben namelijk een gevoelig wortelsystem en meestal zal de plant afsterven bij verplanten.
Tot de eenvoudigere planten van deze soort horen Heliamphora nutans, Heliamphora heterodoxa en Heliamphora minor.
Substraat: spagnhum mos, turf & spaghnum mos, een mengesel van turf met perliet & spaghnum mos
Water: de bodem vochtig houden
Licht: veel licht, direct zonlicht mag (op voorwaarde dat de temperatuur niet te hoog oploopt)

Nepenthes (Tropische bekerplant)

De verspreiding van Nepenthes-soorten is beperkt tot enkele tropische gebieden zoals Madagascar, Sri Lanka, Noordoost-AustraliŽ, MaleisiŽ, IndonesiŽ en de Filippijnen. Het is een soort die zeer tot de verbeelding spreekt door de zeer gevarieerde bekervormen en uiteenlopen kleurschakeringen. Nepenthessen klimmen op naburige struiken of bomen ofwel kruipen ze over de grond.
De verschillende Nepenthes-soorten zijn onder te verdelen in 2 klassen: de laag- en hooglandsoorten. De laaglandsoorten moeten het de hele dag en het hele jaar warm (25į-30įC) hebben, evenals een hoge luchtvochtigheid in hun omgeving (hoe hoger hoe beter). De hooglandsoorten zijn veeleisender: warm (25į-30įC) overdag en koeler (rond 15įC) 's nachts, in beide gevallen met hoge luchtvochtigheid. Het benodigde temperatuursverschil is afhankelijk van soort tot soort. 
Natuurlijk zijn er talloze hybriden, die uiteraard eenvoudiger te kweken zijn. Het beste is een hybride tussen een laag- en hooglandsoort, deze kunnen in veel groeicondities geplaatst worden.
Vermeerderen van planten kan door stekken of door afscheuren van kleine plantjes die opschieten naast de moederplant. Via zaad vermeerderen is ook mogelijk, maar dan liefst zo vers mogelijk zaaien (ofwel in de koelkast bewaren). Nepenthessen zijn tweehuizige planten, om zaad te verkrijgen heb je dus een mannelijke en een vrouwelijke plant nodig.
In plantenzaken wordt vaak een Nepenthes 'Alata' aangeboden, dit is eigenlijk een Nepenthes ventricosa x alata (ook wel "N. x ventrata" genoemd), een bijzonder goed groeiende hybride. Ook de hybride Nepenthes ventricosa x inermis is een klassieke, goede groeier.
Als een Nepenthes van groeiomgeving (bv. door verhuis, aankoop...) verandert, dan gaat de plant meestal in een soort 'shocktoestand': de bekers verdrogen. Als de nieuwe groeicondities goed zijn, zal de plant hier echter snel aan wennen en opnieuw gezonde bekers aanmaken.
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand , liefst met spaghnum mos erop. De plant zou zelfs overleven in zuiver perliet met slechts wat spaghnum rond de wortels.
Water: vochtig houden, de wortels mogen niet nat staan, dan gaan ze rotten
Licht: veel licht, maar geen harde zon, dan gaan de bladeren bruine plekken vertonen

Pinguicula (Vetblad)

Deze familie kunnen we onderdelen in twee groepen, de tropische soorten en de gematigde soorten. De tropische soorten zijn hoofdzakelijk afkomstig uit Mexico, de gematigde uit Europa en Noord-Amerika. De gematigde soorten zijn moeilijker en moeten in de winter koud hebben, tegen het vriespunt. Ze kunnen in theorie het hele jaar door buiten staan, maar het grote probleem is dat, als ze beginnen uitschieten en het vriest nog eens, de kans klein is dat ze het overleven. Een manier om deze soorten te kweken, wordt beschreven in dit artikel (Engelstalig, geschreven door Iwein Coppens).
De tropische soorten hebben in het algemeen twee soorten bladeren: in de zomer maken ze carnivore bladeren en in de winter gaan ze in rust en hebben ze niet-vleesetende rozetjes. De winterrozetten zijn meestal veel kleiner dan de zomerbladeren.
Op het einde van de bloei splitst de plant zich in meerdere delen (meestal twee of drie, soms vier). Indien gewenst kan men bij het verplanten deze delen scheiden. Een andere eenvoudige vermeerderingstechniek is d.m.v. bladstekken. Neem een blad van de gewenste plant (best van het winterrozet) en leg het op het gewenste substraat. Na enkele weken zou zich een klein plantje (of meerdere) moeten vormen op dit blad.
De eenvoudigste pinguicula is de Pinguicula moranensis, een tropische soort. Deze soort groeit nagenoeg het ganse jaar door en bloeit overvloedig. Dit is tevens de enige die ook goed groei in zuivere turf.
Substraat: pinguicula's eisen een zeer goed drainerende bodem. Aangeraden wordt een mengsel van turf, zand en perliet/vermiculiet. Het ontbreken van een component is niet zo erg, maar zuivere turf wordt afgeraden wegens gevaar voor rotten.
Water: in de zomer, als de plant in groei is, mag de pot in een schaaltje met permanent water gezet worden. Als de plant in rust gaat echter, is een keer gieten per maand voldoende, anders bestaat het risico op rotten.
Licht: pinguicula's houden van veel licht, maar geen harde zon.

Roridula

Sarracenia

Deze bekerplanten komen in het wild voor in Noord-Amerika, waar ze groeien in moerasgebieden, laag gelegen (vochtige) gebieden, open velden en soms in beboste gebieden. Er zijn 8 soorten in het geslacht, nl. Sarracenia purpurea (groeit laag bij de grond), Sarracenia oreophylla, Sarracenia rubra, Sarracenia leucophylla (wit gevlekte hoed), Sarracenia flava (grote bekers), Sarracenia alata, Sarracenia minor en Sarracenia psittacina (liggende bekers). Elk hebben ze verschillende subvariŽteiten (bv. Sarracenia purpurea ssp. venosa) en tussen de verschillende soorten bestaan ontelbare kruisingen. Sommige planten produceren winterbladeren of phyllodia, dit zijn in feite 'gewone' bladeren die niet uitgroeien tot een beker.
Sarracenia's kan je in de zomer zeker buiten zetten, in de winter volstaat het om ze tegen de vorst te beschermen. Het zijn niet bepaald veeleisende planten, hebben allemaal dezelfde 'moeilijkheidsgraad' en er zijn verschillende prachtige hybriden te vinden!
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand
Water: algemene methode, mag zeer nat staan maar niet droog vallen
Licht: veel zon, volle zon is geen probleem

Utricularia (Blaasjeskruid)

Aan de meeste Utricularia soorten is weinig spectaculairs te zien als ze niet bloeien. Deze planten hebben kleine blaadjes die net boven het substraat uitkomen. Meestal is de vorm van de blaadjes langwerpig tot ellipsachtig. Enkele uitzonderingen maken grote bladeren, zoals Utricularia longifolia, Utricularia alpina en Utricularia reniformis. Bij deze laatste hebben de bladeren ook nog een aparte vorm: de bladeren zijn parasolachtig met een diameter tot 5cm. De bloemen zijn meestal wel spectaculair. 
Over het algemeen groeien Utricularia soorten zeer goed; als ze een pot vinden, nemen ze hem in. Vermeerdering is eenvoudig: zet gewoon een stuk van de plant in een andere pot en laat ze groeien.
Er zijn epifytische, terrestrische en aquatische utricularia. De epifytische groeien op mos in bomen, de terrestrische in moerassige omgeving en de aquatische drijven in het water.
Ideale (terrestrische) beginnerssoorten zijn Utricularia livida en Utricularia sandersonii.
De aquatische soorten vormen lange in het water liggende stengels, met hierop 'kransjes' van bladeren en aparte stengeltjes met vallen. Sommige van deze soorten groeien het hele jaar door, de gematigde soorten vormen rustknoppen in de winter (bv. Utricularia australis). Deze laatste soorten hebben effectief een koude winterperiode nodig en kunnen dus gerust buiten staan. Een andere mogelijkheid is de rustknoppen in een potje met ongeveer 2cm water in de koelkast te plaatsen en de knoppen in de lente terug in het aquarium te plaatsen.
Substraat: zuivere turf, 1:1 turf : zand (epifytische + terrestrische) en een aquarium met regenwater en onderin een laag turf voor de aquatische
Water: zeer vochtig
Licht: veel licht voor alle soorten

Literatuur

Carnivorous Plants Of The World - James & Patricia Pietropaolo (Timber Press, 1986)
Carnivorous Plants Of Australia - Allen Lowrie (UWA Press, 1996)
Nepenthes Of Borneo - Charles Clarke (Natural History Publications, 1997)
The Genus Utricularia - Peter Taylor (KEW, 1989)
Gardening With Carnivores (Pitcher plants in cultivation & in the wild) - Nick Romanowski (UNSW Press, 2001)
Meer boeken zijn beschikbaar in de bibliotheek van Drosera vzw.



(c) Frank Schoofs